"Ik moet deze verkopen."
Vervolgens zette hij een juweliersloep op en tilde een oorbeltje op.
Haar handen begonnen te trillen.
Stilte.
Tik. Tik. Tik.
Hij draaide het om.
Toen verstijfde hij.
Mijn hart zonk in mijn schoenen. "Wat?"
Haar handen begonnen te trillen.
Hij sloot even zijn ogen.
'Waar heb je dat gevonden?' vroeg hij.
"Mijn grootmoeder."
Hij slikte moeilijk. "Hoe heette hij?"
Ik heb het hem verteld.
Hij sloot even zijn ogen.
Vervolgens bukte hij zich onder de toonbank, haalde een oude foto tevoorschijn en legde die voor me neer.
Ik staarde hem alleen maar aan.
Dat was mijn grootmoeder. Jong. Misschien in de twintig. Ze glimlachte op een manier die ik nog nooit bij haar had gezien op familiefoto's. En naast haar stond de man achter de toonbank, jonger, maar onmiskenbaar hij.
Ze droeg de oorbellen.
Ik keek naar hem op. "Wie bent u?"
Zijn stem was schor. "Iemand die al heel lang wacht tot een van hun eigen mensen door die deur komt."
Ik staarde hem alleen maar aan.
Hij draaide er een om en liet een klein vlekje zien vlakbij de sluiting.
Hij haalde zijn vergrootglas tevoorschijn en zei: "Mijn naam is Walter."
"Waarom heb je deze foto?"
Hij liet zijn blik zakken naar het voorwerp en keek toen naar mij. "Omdat ik van je grootmoeder hield."
"Wat?"
"Ik heb deze oorbellen voor haar gemaakt," zei hij. "Met de hand."